Open the app

„present-day" in Dutch

How do you say "present-day" in Dutch?

present-day huidig /pɹˈɛzənt/

✓ Verified by a human

Translations 4

  • present huidig
  • present tegenwoordig
  • present aanwezig
  • present onderhavig

Phrases 6

  • present-day world de huidige wereld
  • present-day culture de hedendaagse cultuur
  • present-day society de hedendaagse samenleving
  • present, presents cadeau, cadeaus
  • present presenteren
  • present aanwezig zijn

Example sentences 20

  • Tom is present. Tom is aanwezig.
  • Friend, be present. Vriend, wees hier.
  • Everybody is present. Iedereen is aanwezig.
  • an expensive present een duur cadeau
  • No one was present. Er was niemand aanwezig.
  • Who is not present? Wie is er niet?
  • Do they present a dance? Bieden ze dans aan?
  • Tom is also present. Tom is ook aanwezig.
  • Goddess, I am present. Godin, ik ben hier.
  • Friends are present. Vrienden zijn aanwezig.
  • I buy her a present. Ik koop haar een cadeautje.
  • Friend, are you present? Vriend, ben je hier?
  • Why is he not present? Waarom is hij er niet?
  • Are relatives present? Zijn er familieleden aanwezig?
  • Did you get any presents the day before yesterday? Kreeg je eergisteren cadeaus?
  • We present them to you. We presenteren ze aan u.
  • The Genoese built a fortress on the site of present-day Monaco in 1215. De Genuezen bouwden in 1215 een fort op de plaats van het huidige Monaco.
  • Did they present evidence? Hebben zij bewijs gepresenteerd?
  • It's his Christmas present. Het is zijn kerstcadeau.
  • He gave me a present. Hij gaf me een cadeau.
Learn "huidig" forever

Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.

Learn this word →