Open the app

„pen" in Dutch

How do you say "pen" in Dutch?

pen de pen /ðə pˈɛn/

✓ Verified by a human

Translations 2

  • the pen de pen
  • the pen het hok

Phrases 6

  • pen, pens pen, pennen
  • pen, pens pennen
  • a pen, pens een pen, pennen
  • the pen, pens de pen, pennen
  • a pen een pen
  • my pen mijn pen

Example sentences 22

  • It is a pen. Het is een pen.
  • I have a pen. Ik heb een pen.
  • It is my pen. Het is mijn pen.
  • I need a pen. Ik heb een pen nodig.
  • My pen is new. Mijn pen is nieuw.
  • Is this a pen? Is dit een pen?
  • This is a pen. Dit is een pen.
  • This is my pen. Het is mijn pen.
  • This is my pen. Dit is mijn pen.
  • John has a pen. John heeft een pen.
  • Is the pen new? Is deze pen nieuw?
  • Is the pen far? Is de pen ver weg?
  • Where is my pen? Waar is mijn pen?
  • This is her pen. Dit is haar pen.
  • Is the pen blue? Is de pen blauw?
  • The pen is here. De pen is hier.
  • He uses a pen. Hij gebruikt een pen.
  • Yes, it's a pen. Ja, het is een pen.
  • Is this your pen? Is dit jouw pen?
  • Is this your pen? Is het jouw pen?
  • The pen is small. De pen is klein.
  • Is this your pen? Is deze pen van jou?
Learn "de pen" forever

Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.

Learn this word →