Dictionary
› oven
„oven" in Dutch
How do you say "oven" in Dutch?
oven
→
de ovendeur
/ˈʌvən dˈɔː/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- oven door→de ovendeur
- oven glove→de ovenwant
- microwave oven→de magnetronoven
- microwave oven→de microgolfoven
Phrases · 6
- oven, ovens→oven, ovens
- hot oven→de hete oven
- coke oven→de cokesoven
- oven dish→het ovengerecht
- clay oven→de kleioven
- hete oven→de hot oven
Example sentences · 20
- Your oven isn't hot. → Jouw oven is niet heet.
- What was in the oven? → Wat zat er in de oven?
- Is the oven hot enough? → Is de oven heet genoeg?
- Turn on the oven now. → Zet de oven nu aan.
- Did you preheat the oven? → Heb je de oven voorverwarmd?
- Where are the oven mitts? → Waar zijn de ovenhandschoenen?
- Don't preheat the oven yet! → Verwarm de oven nog niet voor!
- Do not turn on the oven. → Zet de oven niet aan.
- I have preheated the oven. → Ik heb de oven voorverwarmd.
- The bread is in the oven. → Het brood zit in de oven.
- She always preheats the oven. → Ze verwarmt altijd de oven voor.
- Put the pizza in the oven. → Doe de pizza in de oven.
- I cannot turn on the oven. → Ik kan de oven niet aanzetten.
- Did you preheat the oven yet? → Heb je de oven al voorverwarmd?
- Preheat the oven before baking. → Verwarm de oven voor voor het bakken.
- Why should we preheat the oven? → Waarom moeten we de oven voorverwarmen?
- Why don't you preheat the oven? → Waarom verwarm je de oven niet voor?
- Bread is baked in an oven. → Brood wordt gebakken in een oven.
- The Dutch oven was still warm. → De braadpan was nog steeds warm.
- I've got something in the oven. → Ik heb iets in de oven.
See also
Learn "de ovendeur" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.