„leg" in Dutch
How do you say "leg" in Dutch?
leg het been /ðə lˈɛɡ/
✓ Verified by a human
Translations 2
- the leg het been
- leg warmers beenwarmers
Phrases 6
- leg, legs been
- leg, legs been, benen
- Leg pain Benen doen pijn
- left leg het linkerbeen
- leg length de beenlengte
- the leg de voet
Example sentences 22
- He broke his leg. The leg is broken. Hij brak zijn been. Het been is gebroken.
- Shake a leg. Schiet eens op.
- My leg itches. Mijn been jeukt.
- The dog bit his leg him on the leg. De hond heeft hem in zijn been gebeten.
- He cut his leg. Hij heeft zichzelf in het been gesneden.
- My leg is long. Mijn been is lang.
- The leg is long. Het been is lang.
- Is the leg long? Is het been lang?
- Tom cut his leg. Tom sneed zichzelf in het been.
- She cut her leg. Ze heeft zichzelf in het been gesneden.
- I have leg pain. Ik heb beenpijn.
- Mary cut her leg. Mary sneed zichzelf in het been.
- Don't pull my leg! Trek niet aan mijn been!
- My leg hurts now. Mijn been doet nu pijn.
- My leg doesn't hurt. Mijn been doet geen pijn.
- I’ve broken my leg. Ik heb mijn been gebroken.
- My leg is not short. Mijn been is niet kort.
- The leg is not short. Het been is niet kort.
- She has hurt her leg. Ze heeft haar been bezeerd.
- My left leg is broken. Mijn linkerbeen is gebroken.
- Can you lift this leg? Kun je dit been optillen?
- Is your leg also long? Is jouw been ook lang?
Learn "het been" forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.