„job" in Dutch
How do you say "job" in Dutch?
job de baan /ðə dʒˈɒb dʒˈɒbz/
✓ Verified by a human
Translations 3
- the job, jobs de baan, banen
- the job de baan
- the job de betrekking
Phrases 6
- job, jobs werk, werken
- job, jobs positie, posities
- a job, jobs een baan, banen
- a job een baan krijgen
- a job baan
- a job een baan
Example sentences 21
- Great job! Goed bezig!
- Get a job. Zoek werk.
- It's my job. Het is mijn werk.
- It's our job. Het is onze taak.
- How's the job? Hoe bevalt je baan?
- It's their job. Het is hun taak.
- What's his job? Wat is zijn baan?
- Nice job, man! Goed gedaan, kerel!
- What's your job? Wat doe je voor werk?
- I need a job. Ik heb een baan nodig.
- to get a job een baan krijgen
- We do our job. We doen ons werk.
- I love my job. Ik hou van mijn werk.
- I quit my job. Ik heb mijn baan opgezegd.
- Job suffered greatly. Job leed veel.
- I like this job. Ik vind deze baan leuk.
- I need this job. Ik heb deze baan nodig.
- I hate this job. Ik haat deze baan.
- He has a job. Hij heeft een baan.
- Give me a job. Geef me een baan.
- Tom does his job. Tom doet zijn werk.
Learn "de baan" forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.