„flu" in Dutch
How do you say "flu" in Dutch?
flu de griepprik /flˈuː ʃˈɒt/
✓ Verified by a human
Translations 1
- flu shot de griepprik
Phrases 6
- a flu een griep
- the flu de griep
- bird flu de vogelgriep
- flu jabs de griepprikken
- swine flu de varkensgriep
- flu virus het griepvirus
Example sentences 23
- I've got flu. Ik heb griep.
- I have a flu. Ik heb griep.
- He has the flu. Hij heeft griep.
- I had flu recently. Ik heb net griep gehad.
- There is flu medicine. Er is griepmedicijn.
- She has flu symptoms. Ze heeft griepsymptomen.
- Do you have a flu? Ben je grieperig?
- Does she have the flu? Heeft zij griep?
- There is a persistent flu. Er heerst een hardnekkige griep.
- Is there any flu medicine? Is er griepmedicijn?
- She doesn't have the flu. Zij heeft geen griep.
- I do not have a flu. Ik heb geen griep.
- They don't have flu medicine. Ze hebben geen griepmedicijn.
- Vaccination helps prevent the flu. Vaccinatie helpt griep te voorkomen.
- Vaccination helps prevent the flu. De politie arriveerde net op tijd om de aanslag te verijdelen.
- They don't show flu symptoms. Ze vertonen geen griepsymptomen.
- I don't need a flu shot. Ik heb geen griepprik nodig.
- The flu is a contagious disease. De griep is een besmettelijke ziekte.
- Influenza is another name for flu. Influenza is een andere naam voor griep.
- Does he have any flu symptoms? Heeft hij griepsymptomen?
- Secondary infection complicates flu recovery. Secundaire infectie bemoeilijkt herstel van griep.
- The flu has caused muscle weakness. De griep heeft spierzwakte veroorzaakt.
- I recovered quickly after the flu. Ik recupereerde snel na de griep.
Learn "de griepprik" forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.