„dessert" in Dutch
How do you say "dessert" in Dutch?
dessert het nagerecht /ðə dɪzˈɜːt/
✓ Verified by a human
Translations 3
- the dessert het nagerecht
- the dessert het toetje
- the dessert het nagerecht, het toetje
Phrases 6
- dessert, desserts toetje, toetjes
- dessert, desserts dessert, desserts
- Dessert Dessert
- the dessert, desserts het dessert, de desserts
- a dessert een dessert
- a dessert een toetje
Example sentences 21
- I love dessert. Ik hou van desserten.
- Do you want a dessert? No, I don't want dessert. Wil je een dessert? Neen, ik wil geen dessert.
- Tom wants dessert. Tom wil een dessert.
- Do you want dessert? Wil je een dessert?
- I don't want dessert. Ik wil geen dessert.
- We'd like a dessert. We willen graag een dessert.
- The dessert menu, please. Het dessertmenu alstublieft.
- It was a good dessert! Het was een goed dessert!
- Can I order a dessert? Kan ik een toetje bestellen?
- We had pie for dessert. We aten taart als dessert.
- Adam likes the dessert. Adam vindt het toetje lekker.
- Is this dessert sweeter? Is dit dessert zoeter?
- Is the dessert too sweet? Is het dessert te zoet?
- Would you like any dessert? Wilt u een nagerecht?
- The children taste dessert. De kinderen proeven het toetje.
- Are you having a dessert? Neem jij een toetje?
- Would you like more dessert? Wil je meer dessert?
- Not wanting dessert helps. Geen dessert willen helpt.
- She doesn’t need any dessert. Ze heeft geen dessert nodig.
- Should we choose dessert now? Moeten we het nagerecht nu kiezen?
- We are not having dessert. Wij nemen geen toetje.
Learn "het nagerecht" forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.