„cooking" in Dutch
How do you say "cooking" in Dutch?
cooking Ik ben aan het koken. /aɪm kˈʊkɪŋ/
Phrases 6
- I'm cooking. Ik ben aan het koken.
- not cooking Niet koken
- for cooking voor het koken
- was cooking was aan het koken
- was cooking was het eten aan het koken
- cooking rice rijst koken
Example sentences 24
- I am cooking. Ik ben druk aan ’t koken.
- He is cooking. Hij is bezig met koken.
- Tom is cooking. Tom is aan het koken.
- Are you cooking? Ben je aan het koken?
- Are you cooking? Kook je?
- Ziri was cooking. Ziri was aan het koken.
- I am cooking now. Ik ben nu aan het koken.
- We are cooking now. We koken nu.
- I'm not cooking now. Ik kook nu niet.
- What are you cooking? Wat zijn jullie aan het koken?
- What are you cooking? Wat ben je aan het koken?
- Are they cooking now? Maken ze nu eten?
- I'm not cooking today. Ik kook vandaag niet.
- Cooking pasta is easy. Pasta koken is makkelijk.
- Mom is cooking rice. Mijn moeder is rijst aan het koken.
- Are you cooking today? Kook je vandaag?
- Are you cooking tonight? Kook jij vanavond?
- Are you cooking tonight? Kook je vanavond?
- Are we cooking together? Maken we samen eten?
- I am not cooking now. Ik kook nu niet.
- What've you been cooking? Wat hebben jullie zitten koken?
- Is she cooking for us? Maakt zij eten voor ons?
- I am not cooking today. Ik kook vandaag niet.
- We are not cooking now. We koken nu niet.
Learn "Ik ben aan het koken." forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.