„cat" in Dutch
How do you say "cat" in Dutch?
cat de kat /kˈat kˈats/
✓ Verified by a human
Translations 4
- cat, cats de kat, de katten
- the cat, cats de kat, katten
- the cat de kat
- cat food het kattenvoer
Phrases 6
- cat, cats kat, katten
- cat, cats kat
- a cat, cats een kat, katten
- a cat een kat
- a cat Slechts een kat
- my cat mijn kat
Example sentences 20
- Cat, stand. Kat, sta.
- Tom's cat is an indoor cat. Toms kat is een binnenkat.
- Poor cat. Arme kat.
- Fucking cat! Klote kat!
- She has a cat. This cat is white. Ze heeft een kat. Die kat is wit.
- The cat is black. It is a black cat. De kat is zwart. Het is een zwarte kat.
- Find the cat. Vind de kat.
- That's my cat. Dat is mijn kat.
- The cat meows. De kat miauwt.
- The cat meowed. De kat miauwde.
- The cat sleeps. De kat slaapt.
- We're cat people. Wij zijn kattenmensen.
- Where's your cat? Waar is jouw kat?
- Is it a cat? Is dit een kat?
- Is it a cat? Is het een kat?
- I have a cat. Ik heb een kat.
- We would like a cat too, a nice black cat. We willen graag ook een kat, een mooie zwarte kat.
- I miss my cat. Ik mis mijn kat.
- My cat is wet. Mijn kat is nat.
- Tom had a cat. Tom had een kat.
Learn "de kat" forever
Learn this word →
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.