Open the app

„campsite" in Dutch

How do you say "campsite" in Dutch?

campsite de camping /ðə kˈampsaɪt/

✓ Verified by a human

campsite

Translations 4

  • the campsite de camping
  • the campsite de campingplaats
  • the camp, the camps het kamp, de kampen
  • camper de camper

Phrases 6

  • the campsite de kampeerplek
  • at the campsite Op de camping
  • to set up the campsite de kampeerplek opzetten
  • Have you ever been lost at the campsite? Bent u ooit verdwaald op de camping?
  • camps, in the camps kamp, in de kampen
  • camp, camps kamp, kampen

Example sentences 20

  • Is there a campsite here? Is hier een kampeerplaats?
  • We have found a good campsite. We hebben een goed kampeerterrein gevonden.
  • Is there a restaurant on the campsite? Is er een restaurant op de camping?
  • If only they had chosen a better spot for the campsite. Hadden ze maar een betere plek voor de kampeerplek gekozen.
  • The Janssens family could not pitch their tent at that campsite: it was packed. Op die camping kon de familie Janssens haar tent niet opzetten: het was er overvol.
  • If we had set up the campsite earlier, we wouldn't be struggling in the dark. Als we de kampeerplek eerder hadden opgezet, zouden we nu niet in het donker worstelen.
  • Would they have reached the campsite if they had followed the trail markers? Zouden ze de kampeerplek hebben bereikt als ze de padmarkeringen hadden gevolgd?
  • Every Saturday a fishmonger comes to our campsite from whom you can buy delicious fish. Iedere zaterdag komt een visboer op onze camping bij wie u heerlijke vis kunt kopen.
  • Are the camps near the river? Zijn de kampen dicht bij de rivier?
  • Was there an army in the camps? Was het leger in het kamp?
  • I camped in a small tent in the woods. Ik kampeerde in een kleine tent in het bos.
  • The camps are not in the forest. De kampen zijn niet in het bos.
  • We won't be camping this weekend. We zullen dit weekend niet kamperen.
  • The fortified camps remain. Het versterkte kamp blijft.
  • I want to go camping. Ik wil gaan kamperen.
  • The storm surprised the campers. The campers were surprised by the storm. Het onweer verraste de kampeerders. De kampeerders werden verrast door het onweer.
  • Why don't we go camping? Waarom gaan we niet kamperen?
  • Tom went camping. Tom ging kamperen.
  • The children went camping. De kinderen zijn gaan kamperen.
  • The campers like sleeping in the open. De kampeerders slapen graag in de buitenlucht.
Learn "de camping" forever

Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.

Learn this word →